Het tandmannetje

Het huiselijke nest waaruit ik ben gevallen, geloofde niet in tandhygiëne. De eerste tandenborstel ontmoette ik dan ook op school, en dat was liefde op het eerste gezicht, enfin op de eerste smaak, want ook toen al werden kindjes tot het tandenpoetsen bekeerd door (oh tegenstrijdigheid) er een snoepjessmaak aan te geven. Er werd wel expliciet vermeld dat “dat niet eetbaar was”, om te verhinderen dat we de tube leegknepen in onze mond.

Het huiselijke nest geloofde ook niet in tandartsen als tussenpersoon ter preventie van tandproblemen. De tandarts werd er alleen bijgehaald als de tandpijn niet meer te harden was of als er een beest van een abces in de maak was. Zo gebeurde het dat bij mijn eerste tandartsbezoek de man in kwestie zei (bij het zien van de gaten in mijn kiezen): “Je hebt geen tandarts nodig, dit is eerder werk voor een aannemer!”, en toen al vermoedde ik dat dat niet als compliment was bedoeld. Gelukkig was hij eerder het type tandenredder dan tandentrekker, en dus vulde hij de betonmolen met zilveren pasta en toverde me nieuwe, bestekkleurige tanden. Dankzij hem heb ik nu nog altijd al mijn bijters.

De overgang van melktand naar tand gebeurde heel pragmatisch.  Zoon: “Pa, mijn tand komt los!”, waarop pa: “Mag ik eens kijken?”, waarop zoon argwanend: “Niét aan trekken, he?!”, waarop pa: “Nee hoor!”, waarop zoon: “Auw!”, waarop pa ‘m het tandje voorhield. Soms ontdeed ik mezelf van een melktandje door een handdoek in de mond te proppen en er een ruk aan te geven. Dat werkte ook, al kreeg ik kippenvel van het gevoel van handdoek in de mond, en moest ik toch een beetje lef hebben voor het verlossende gebaar. Van de tandenfee was er toen geen sprake en er viel dus ook geen geld mee te verdienen. Niet dat alles beter is sinds zij is uitgevonden. Ik herinner me nog dat ik Feyo voor het eerst uit de doeken deed wat de tandenfee was: grote drama’s waren dat! “Hoe groot is die dan?” (Heel klein!) , “Hoe kan die dan mijn tand meenemen?” (Ze kan toveren!)  en (wenend) “Ik wil helemaal niet dat ze mijn tand meeneemt!” (Ze laat ‘m wel liggen, maar ze legt gewoon een centje). Vorig jaar begonnen Kamiels melkjes te lossen en toen hebben we willens nillens toch weer de tandenfee uitgelegd. Verbouwereerd stond Kamiel dan ‘s morgens op, omdat zijn tand er nog lag en er geen centjes waren. We konden onszelf wel voor de kop slaan, de tandenfee was gewoon vergeten langskomen. De keer daarop hadden we ons huiswerk wél gemaakt, maar toen vond hij de royale 2 euro niet die we voorzichtig onder zijn slapend hoofdkussen hadden neergelegd: die was waarschijnlijk weggewoeld naar onbestemde kieren en gleuven.

Nu we het toch over melktandjes hebben: ik heb er nog eentje! Een van mijn hoektanden heeft het destijds vertikt het moederschip te verlaten en heeft halsstarrig (s)tandgehouden. The last of the Mohictands. Daaronder zit een knoert van een volwassen tand in mijn schedel geduldig te wachten tot de kleine het opgeeft, vooralsnog niet dus. Het helpt om je nog een beetje jong te blijven voelen wel. Ook wijsheidstanden heb ik niet, en er zitten nog één of twee kiezen onder het tandvlees te kniezen bovendien. Mijn mond is dus nog steeds niet helemaal klaar voor volwassenheid.

Geen tandenfee dus, en ook geen zandmannetje dat zand in de ogen strooit om ons dagelijks bewusteloos te krijgen, enkel het tandmannetje bestaat nog, en gewapend met dit dentologisch geloof, ga ik voor de tweede keer in twee maand tijd naar de tandwerker. Vorige keer bezocht ik ‘m, omdat een stukje vulling was losgekomen en een scherpe leemte achterliet. Die werd vastgesteld door de tong die er langsgleed en de scherpte voelde, en om een of andere masochistische reden steeds weer tot die scherpte werd aangetrokken, alsof ze zich ervan wilde gewissen dat er langs glijden nog steeds pijn deed. De tandarts heeft dat stukje skelet toen vakkundig hersteld en vastgesteld dat ook een andere tand nog aandacht behoefde (ook een slechter wordende vulling), ook al had ik er toen geen last van. Een nieuwe afspraak werd dus gemaakt, waarvan ik eergisteren een agenda-alarmpje kreeg: ik wist begot allang niet meer waarvoor ik naar de Witte Kiel moest.

Om die reden sta ik de volgende avond, gewapend met mijn elektrische tandenborstel,  mijn ivoortjes te poetsen aan de wasbak in de toiletten van ArcelorMittal. Ik hoop stilletjes dat er niemand uit een van de sanitaire hellehokjes komt gekropen, want het lijkt me dat een tandenpoetsende collega heel wat vragen oproept. Ik overweeg inwendig wat ik in zo’n geval ga doen: even stoppen met poetsen en met volle pastamond witte stukjes spuwend op de spiegel, terwijl ik probeer uit te leggen dat ik dit doe om de tandarts een plezier te doen, of gewoon zwijgen en voortdoen. Ik kies voor het laatste: waarom zou ik me moeten verantwoorden, nietwaar? Recht op vrije mondhygiëne (voor zover het gaat om het bevorderen van een frisse mond), me dunkt. De kans is trouwens groot dat de geluiden die de mogelijke passant maakt, gênanter zijn dan het trilgeluid van het nerveuze borsteltje. Maar niemand merkt mijn poetsende zelve op.

Ik lijd aan de kwaal tijdoptimisme: dat houdt in dat in mijn hoofd de zaken sneller gaan dan in de tastbare wereld. In mijn tijdsbeeld bv duurt het maar 15 minuten om naar mijn wagen te wandelen in een uithoek van de parking, van Zelzate naar Evergem te sjezen, in Evergem me via een wirwar van omleidingen naar de tandartswoonst te labyrinten, geld af te halen en aan te bellen. 17u07 i.p.v. 17u00, zo luidt de werkelijkheid. Net voor mij schuifelt een oud dametje naar binnen en het is ook zij die voor mij uit de wachtzaal wordt geplukt. Ai, als die een nieuwe mond moet aangemeten krijgen, dan kan ik het wel schudden om hier rond 18u weg te geraken om de looptraining van 18u30 te halen (zoals beloofd aan een paar groepsleden)…

Terwijl de tijd wegtikt, stil ik mijn onrustig wordende geest met wat voer uit de rondslingerende tijdschriften. Ik leer over kontondersteunende jeansbroeken (voor vrouwen, perst alles naar een optimale vorm) en de Alfa Romeo 4C (leuke kar). Het besje vertrekt uiteindelijk toch vroeger dan verwacht, maar dan hoor ik de tandarts nog wat aanrommelen. Niet getreurd, het is nog geen half zes als de tandman me komt verlossen uit de wachtgreep. Voor alle zekerheid pols ik of hij de klus kan klaren in een half uur (“Ik ben afgesproken om te lopen!”) en het is een volmondig ja.

De zetel beweegt naar lig-en-relax houding en de tandarts polst nog even naar mijn loopgewoonten, terwijl hij zijn werktuigen schikt. Tot dusver onze conversatie, want vanaf dan gaat ter inspectie van de patiënt zo’n rond spiegeltje op een steel mijn bakkes in en wordt het praten me onmogelijk gemaakt. Wat vanaf dan gebeurt in there heb ik min of meer het raden naar, maar ik probeer het te reconstrueren.

dentist-jokeIk weet bij de tandarts nooit helemaal blijf met mijn ogen. Als de kapster je haar wast, is het eenvoudig: je doet je ogen dicht, om te kunnen genieten van de hoofdmassage en ook een beetje omdat shampoo in de ogen prikt. Bij de tandarts doe ik dat niet, omdat ik niet de indruk wil geven dat ik ervan geniet; de man zou overmoedig kunnen worden en te gewelddadig, denk ik dan (ofschoon ik in zo’n ligzetel soms momenten heb dat bij zoveel passieve overgave de vermoeidheid opsteekt). Ik wil een zeker mate van “ik ben op mijn hoede” uitstralen, dat maakt ‘m voorzichtiger. Ogen open dus, maar naar waar kijk je dan? Ik wil niet in zijn pokdalig gezicht staren, laat staan oogcontact maken: ten eerste omdat ik mijn tandarts niet wil in de ogen kijken en ten tweede omdat oogcontact ook hém zenuwachtig kan maken, met allerlei kaakdoorboringen vandien. Dus staar ik maar een beetje naar die felle TL-lichten boven de stoel, nààst zijn hoofd, zo hard mogelijk negerend dat hij ogen heeft. Soms lukt dat, maar op momenten dat zijn hoofd zo dichtbij komt dat het lijkt alsof hij in mijn mond dreigt te kruipen, is het bijzonder moeilijk om er naast te kijken.

Altijd weer tot mijn vreugde start hij met verdoving. Dit gaat terug naar traumatische ervaringen uit het verleden van orale ingrepen, waarin hij pogingen ondernam om “zonder verdoving te proberen”, wat gegarandeerd werd gevolgd door een ijselijke kreet en een rechtveren uit de tandartsstoel. Om de verdovende injectie te kunnen toedienen, moet ik mijn mond net wat meer dichtdoen, wat indruist tegen de jarenlange tradities van de wijd opengesperde mond, maar ik gehoorzaam gedwee.

Next: het irritante speekselzuigertje. Het geeft ongeziene kansen tot scheurmonden en kan zich vastzuigen in je mond. Er is ook altijd de moeilijkheid van de tong: het is alsof die voortdurend in de weg zit. Als ik ze teveel naar links beweeg, kan ze worden vastgezogen in de speekselzuiger. Kantel ik de rolmops teveel naar rechts, dan kwispelt het vermoedelijk in de weg van de tandwerkzaamheden. Ik denk dat tandartsen op tandartsconferenties vaak grapjes maken over het ronddartelende kleinood.

De tandarts start de boorwerkzaamheden om de oude vulling los te maken. Er doet zich echter een onvoorziene moeilijkheid voor: ik hoor de speekselzuiger niet. Staat hij wel aan? Ik voel de speekselmassa aangroeien in mijn mond, en hoe meer ik eraan denk, hoe meer speeksel ik begin te produceren en hoe acuter het probleem wordt. Denken aan speeksel, creëert speeksel. Met geen mogelijkheid kan ik de dokter verwittigen, maar gelukkig merkt hij het zelf op: hij herplooit het zuigertje en haakt het opnieuw in de mondhoek en nu neem ik het (voor de verandering geruststellende) slurpgeluid wel waar. Het boren gaat verder en ik weet niet of de tandarts beseft dat hij mijn lip plat aan het duwen is en dat die niet helemaal in de verdoving is opgenomen.

Voor zo’n slechte vulling te zijn, zit ze toch nog stevig vast precies. De tandmechanicien laat er een arsenaal aan boorkoppen op los, en net op het moment dat het model om aardolie aan te boren nodig wordt, geeft de vulling het op. Nu de oude prop eruit is, is het enkel nog een kwestie van de weg effenen voor de nieuwe vulling.

Overigens, het is ook geen sinecure om de mond continu opengesperd te houden. Ik mag dan al redelijk getraind zijn in het lopen van langere afstanden, na een tijd dreigt mijn kaak in een kramp te schieten bij zoveel geforceerdheid. Misschien ben ik ook wat te vroeg met het sperren begonnen, want ik was alvast begonnen met mijn bek te spreiden, nog voor de witkopjesbehandelaar in mijn mond moest zijn. Mental note: iets minder ijverig zijn volgende keer, en krachten sparen, zoals in een duurloop. Traag starten.

De tandarts laat me even met opengespreide mond liggen om een tanddeegje te kneden dat de leemte moet opvullen. Ik denk terug aan mijn vorige bezoek, toen hij op dat moment werd opgebeld, waardoor ik even alleen werd gelaten met zuigertje, tangetje, en nog een resem aan spulletjes in de gapende mond en ik net op het punt stond om een spectaculair zelfrelativerende selfie te maken, toen hij terug binnenkwam en ik genegeerd mijn gsm wegstopte.

dentist joke 2De pasta wordt met man en macht op zijn plaats gekneed en wordt vormgegeven door iets wat lijkt op een kruising van een suikertangetje en een foltertuig. Ik ben van mening dat de verdoving ook zijn volledige werk niet doet op een deel van tandvlees dat als collateral damage mee wordt samengedrukt. Nu alles flink zit ingeklemd, is het tijd voor een mini-haardroger die in een mum van tijd de specie hard als beton maakt. “Tut-tut-tut-tut-tuuuuut”, piept het toestel; de lange tut betekent “Klaar!”, zo heeft men in de tandartsenschool geleerd.

Tijd om mijn bit te testen: eerst en vooral moet ik aanvoelen hoe de tand in mijn mond aanvoelt, wat niet gemakkelijk is, want “Je had ‘m verdoofd, weet je nog?” (maar gelukkig kan ik het draaien van mijn ogen tijdig tegenhouden) Een gekleurd papiertje wordt vervolgens op de nieuwgeboren tand gelegd, en ik moet nu mijn kaak in alle richtingen bewegen om te zien hoe netjes de nieuwkomer zich gedraagt ten opzichte van de oudgedienden. “Dat ziet er goed uit!”, zegt de tandarts, en ik kan niet anders dan ‘m geloven, want ik zie het papiertje niet en thuis kan ik het proefje ook niet herhalen.

De stoel rijdt zich recht en een bekertje vult zich met water. Na de eerste mond met water verkeerdelijk uit te spuwen in het plekje waar het bekertje stond (en niet in de ronde afvoer), kwijl ik nog een paar mondjes water uit. Ik merk op dat verdoving in de bovenste mondhelft het spraakvermogen niet noemenswaardig aantast, wat een voordeel zal zijn bij het coachen van de lopers straks. Ik stel ook vast dat mijn rechterneusgat mee verdoofd is, en dat is een primeur qua lichaamssensatie. Verrassend genoeg voelt dat niet als gevoelloos, maar als warm, omdat het linkerneusgat koud heeft. 60 euro lichter en voor 18u sta ik weer aan de deur, flink op tijd dus! Ik kan het niet nalaten eens in het slapende neusgat te pulken om te testen of ik mijn vinger voel. Ik voel mijn vinger, maar niet wat hij beroert. Bye, tandconstructeur, we kunnen er weer voor 6 maand tegen!

Author: Martin Vereecken

Share This Post On

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

− 1 = 1

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>